bedrijven

 

Economie

Tot aan het begin van de 20e eeuw was Aduard een agrarische gemeente. De meeste inwoners waren werkzaam in de landbouw en veeteelt. Dat was al zo sinds de stichting van het klooster. Maar wat de monniken aan bedrijvigheid aan de dag hebben gelegd is niet te vergelijken met wat er daarna gebeurde. Het grote landbezit van het klooster leidde ertoe dat er meer dan honderd boerderijen en voorwerken onder het beheer vielen van de keldermeester, de geestelijke die de leiding had over de economie. Op het kloosterterrein zelf werd bier gebrouwen, brood gebakken, kleren en schoenen gemaakt, etc. Bovendien waren er de tichelwerken waar stenen werden gebakken voor nieuwbouw en reparatie van eigen gebouwen, maar ook voor de verkoop. De opbrengsten van de landerijen waren enorm. Veel van hun producten werden afgezet in de stad Groningen, waar Aduard een handelspost had aan de Munnekeholm, of geëxporteerd naar Duitsland. Het klooster was een groot bedrijf met, naar huidige maatstaven, een miljoenenomzet. Na het verdwijnen van de kloosterlingen en de afbraak van de kloostergebouwen ontwikkelde zich hier een kleine dorpsgemeenschap, die voornamelijk werkzaam was op de voormalige door de provincie verpachte kloosterboerderijen. Het klooster Aduard als intellectueel en economisch centrum, had plaatsgemaakt voor een gewoon dorp.

Tot aan de 20e eeuw waren er in het dorp de ambachtslieden, zoals de timmerman, de kuiper, de spelmaker, de smid, etc. Grote bedrijven waren er niet, behalve de melkfabriek, die in het laatste kwart van de 19e eeuw was opgericht. Na de oorlog ontwikkelden lokale bedrijven als Sj. Dijkstra (wegenbouw), Knoop (autosloopbedrijf) en Kazemier (transport) zich snel. Later kwamen daar o.a. bij, Steegstra (conservenfabriek), Kraft (vleeswarenfabriek), Vroom en Dreesmann, Stalad (schoolmeubelen) en Van Denderen (drukkerij).