huis te Aduard

 

Het klooster had een belangrijke rol in het maatschappelijke leven. Het benoemde pastoors in de omliggende dorpen, bestuurde het Aduarder Zijlvest en sprak recht in de kerspelen Den Ham, Fransum, Hoogemeeden, Garnwerd, Oostum en Wierum, het zogenaamde redgerrecht. Dit gebied wordt de rechtstoel Groot Aduard genoemd. Toen de provincie dit na de teloorgang van het klooster in 1594 overnam, benoemde zij een nieuwe redger, Albert Coenders. Hij werd de dorpsheer van het nieuwe dorp Aduard. In 1658 besluit de provincie alle rechten te verkopen, waarvan het redgerrecht in 24 delen, zodat elke koper van een deel een keer in de 24 jaar redger zou kunnen zijn. Wanneer in 1678 Johan Clant als nieuwe dorpsheer in Aduard verschijnt, begint hij geleidelijk aan alle 24 delen op te kopen. Veertien jaar later heeft hij ze allemaal en wordt de ommegaande rechtstoel in Aduard een staande. In 1700 verruilt hij al zijn Aduarder bezittingen Evert Joost Lewe tegen de borg Ludema bij Usquert.

Vanaf 1700 tot aan de verkoop van de borg in 1815 is Aduard in handen van de familie Lewe. Deze eerste Evert Joost was een persoon die op het hoogste niveau van zich liet horen. Hij was o.a. lid van Gedeputeerde Staten, curator van de universiteit, afgevaardigde van de Staten Generaal en in de Raad van State en luitenant van de Hoge Justitiekamer. Evert Joost was een exponent van de Groninger landadel en had hier veel macht. Hij had de rechtspraak in handen en ook het bestuur over het waterschap. In 1707 kreeg hij recht van vrije overvaart bij de Wierumerschouw en in 1709 het recht van vrij malen op de Aduarder molen, aan de Hofstraat. Rond 1710 koopt Johan Willem Ripperda Aduard van Lewe, die in geldnood zit. In een politieke strijd vanwege het stadhouderschap van Willem IV kiest Lewe de zijde van de Oranjepartij en krijgt hij Aduard terug. Vanaf dat moment begint hij in Aduard te investeren. In 1713 koopt hij het oude kloosterkerkhof op en breidt zijn landbezit hier uit, zodat hij Aduard kan vertegenwoordigen in de Staten. Dit kon eerst niet, omdat al het land kloosterbezit was geweest en door de provincie werd verhuurd.

Evert Joost laat grote stukken weiland ten oosten van de hoofdstraat met bomen beplanten en legt grachten en vijvers aan. Ook laat hij de oude kloosterziekenzaal verbouwen tot kerk en geeft een schrijnwerker opdracht tot het maken van nieuw kerkmeubilair: de grote Herenbank, de preekstoel,  de twee grote banken en de eenvoudige banken voor het kerkvolk. In de oostgevel wordt een speciale ingang voor de familie Lewe geplaatst. Voor de herenbank komt een grafkelder voor de familie.

Evert Joost Lewe maakt van de 13e eeuwse Romano-gotische ziekenzaal een eenvoudige dorpskerk.

 

De publieke weg liet hij verleggen om zijn bezit af te ronden. Waarschijnlijk heeft hij zijn grond aangekocht in het noorden en de tegenwoordige Albert Harkema weg op laten schuiven naar het noorden. In 1722 laat hij een nieuwe pelmolen bouwen. Dit is de korenmolen van Bakker aan de hoofdstraat tegenover de Schoolstraat, die is afgebroken in 1928. 

Groot oproer ontstond er onder de bevolking vanwege de Kerstvoed van 1717. Bij verschillende dijkdoorbraken waren mensen en vee in grote getale verdronken. Over het herstel van de dijken ontstond onenigheid. De Staten van Stad en Lande vonden dat reparatie niet aan de aanwonenden overgelaten kon worden, maar een oplossing kwam er niet vanwege verschil van inzichten. De inwoners van het Westerkwartier wilden geen arbeid leveren, maar dachten aan een vrijwillige bijdrage. Omdat het werk nu door anderen werd gedaan, kreeg het Westerkwartier een rekening voorgelegd van 22.000 car. guldens. Het is niet geheel duidelijk waarom de volkswoede zich toen geheel op Evert Joost Lewe richtte. De haat was groot. Duizenden mensen verzamelden zich bij Aduard om de borg te bestormen. De provincie stuurde militairen, wat uitliep op schermutselingen, waarbij enige doden vielen.

Verder was Evert Joost Lewe betrokken bij het Monsterproces van het Faan, waarbij onschuldige burgers werden opgehangen. Sommige verdachten vluchten naar Aduard; de rechtstoel Groot Aduard lag naast die van Rudolf de Mepsche. Lewe vond het verdacht dat De Mepsche vooral politieke tegenstanders liet arresteren. Als Ommelander regent probeerde hij nog een speciale rechtbank in het leven te roepen, zodat niet alleen De Mepsche over deze zaak zou beslissen. Daar kreeg hij echter niet voldoende handen voor op elkaar.

Echt zwaar weer werd het in Aduard in 1747. Willem IV was sinds 1718 stadhouder in Stad en Lande en het volk eiste dat deze functie erfelijk zou worden. Alhoewel de Staten besloten deze eis in te willigen, bleef het volk onrustig. Men wilde een Ommelander landdag bijeenroepen, maar daar was de toestemming voor nodig van de president, in dit geval Evert Joost Lewe. Nog diezelfde avond reden 15 koetsen met gevolmachtigden naar Aduard. Evert Joost wilde echter niet praten. Zijn knecht wimpelde ze af, omdat de ‘heer te bedde’ was. Toen ze niet wilden vertrekken, stuurde Evert Joost zijn militie op hen af, in totaal 70 man sterk. De militie stelde zich op bij de herberg, waar de volmachten verbleven. De rest verschool zich in de bossen. Toen er geschoten werd, vluchtten de volmachten naar Groningen. De volgende dag kwamen ze terug en werden de borg binnen geleid. Lewe weigerde de landdag te organiseren en maakte hen uit voor rebellen. De verbazing bij de andere kerspelen was groot en men zwoer dat als Lewe niet op de landdag verscheen, ze zijn huis in Aduard en in Groningen zouden plunderen.

Achter deze hulst aan de Schoolstraat stond het Huis te Aduard, met de voorkant niet naar de hoofdstraat, maar naar het oosten. Hier stroomde het volk toe om Lewe op andere gedachten te brengen, die avond in 1747. De hulst is 250 jaar oud en is het enige dat overgebleven is van de prachtige tuinen die hij in Aduard had laten aanleggen.

 

Intussen had Lewe kanonnen opgesteld bij alle in- en uitgangen van zijn landgoed in Aduard en 50 man geposteerd die dag en nacht de wacht hielden. Lewe verscheen niet op de landdag en het razende volk liet een resolutie uitvaardigen om Lewe te halen door een regiment naar Aduard te sturen. Vooraan zouden de heren van Bierum en Kantens (schoonzonen van Lewe) in een koets rijden, zodat wanneer er geschoten zou worden vanaf het borgterrein, zij het eerste zouden sterven. Dit hele circus trok zoveel belangstelling vanuit de stad Groningen, dat het stil werd op de Grote Markt. Er werden zelf weddenschappen op afgesloten of hij zou komen of niet. Maar Lewe kwam en bereikte het provinciehuis, alhoewel boeren hadden geprobeerd hem bij de Apoort met koets en al in het water te gooien. Daar werd hij echter door de boeren zodanig mishandeld, dat hij bewusteloos op de grond bleef liggen. Omstanders wisten hem gelukkig in veiligheid te brengen. De volgende dag wilde men hem weer te grazen nemen, maar de stad zorgde voor bescherming. Toch moest hij op het provinciehuis verschijnen. Door een groot cordon van burgers, met voor en achter compagnieën, liep hij daar naartoe. In die vergadering moest hij ondertekenen alle versnaperingen te betalen die de volmachten en het volk de vorige dag en nacht hadden gemaakt en alles wat hij ter verdediging op zijn borg te Aduard had liggen, te verwijderen. De volgende dag verscheen hij, ongebroken, weer op het provinciehuis om de vergadering van de landdag voor te zitten. Een motie om hem af te zetten, haalde het niet en diezelfde dag ging hij terug naar Aduard.

De rust in Aduard was van korte duur. De Aduarder predikant D.S. Bacot (1745-1949) werd overspel verweten en had zich ingelaten met een of andere diaconiekwestie. Aangezien hij partij koos voor Lewe, werd hij voor ‘duivelse paap’ uitgescholden. De tegenstanders van Willem IV werden in de oorlog met Frankrijk als Fransgezind gezien. Waar Bacot in Aduard op visite was geweest, werden de glazen ingeslagen. De volgende dag werden bij 26 huizen de ramen vernield en ook op de borg. Zelfs de poorten en hekken werden omver getrokken, waardoor herten uit de wildbaan konden ontsnappen.

In 1749 speelt Lewe geen politieke rol meer van enige betekenis. Trouwens, de macht van de adel werd sowieso aan banden gelegd door een speciale wet, die o.a. hoger beroep mogelijk maakt in criminele zaken. Excessen zoals die met Rudolf de Mepsche waren niet meer mogelijk. Evert Joost Lewe stierf in 1753. Zijn oudste zoon Evert Joost Lewe II (1706-1768) erfde de borg. Na hem kwam Evert Joost Lewe III (1759-1799). Hij stierf kinderloos, waarna de borg in handen kwam van Evert Joost Lewe IV, de zoon van Bernard Lewe, de broer van Evert Joost I. De laatste bewoner was Carolus Justus Lewe (1767-1836).

De borg met haar tuinen en alle andere gebouwen werd op afbraak verkocht. Een catalogus van 1815 laat zien wat er zoal te halen viel in Aduard. De kijkdagen waren op maandag 16 en 23 januari 1815. Op de lijst staan o.a. de borg, brouwhuis, duiventil, zomerhuis, grote Turkse tent, Zuidermuur, Noordermuur, hek voor de Zwarte Laan, hek met poort en annexen tussen borg en schathuis, schathuis en tuinmanswoning, behuisde en onbehuisde heemsteden, appelhoven met Zwarte of Nieuwe Laan, middentuin, zuidertuin, zomerhuis op de berg, visvijver, stenen brug bij de gracht, de Rijskamp en tuin, vele beklemde gronden, etc. Ook kunnen er zitplaatsen in de kerk gekocht worden. De grote Herenbank wordt verkocht in veertien delen en de grote losse banken elk in zeven delen. Dit bewijst dat de losse banken altijd in de kerk hebben gestaan en niet na de verkoop van de borg naar de kerk zijn overgebracht. Kavel 79 op de lijst is de grafkelder.

Hoe heeft de borg eruitgezien? Op de kaart van Beckering zijn twee gebouwen zichtbaar, waarvan de achterste aan de hoofdstraat grenst, Dit zijn waarschijnlijk de vertrekken van het personeel. Het voorhuis heeft versieringen op de schoorsteenkappen en is hoger dan het achterste. Het lijkt erop dat er een pleintje tussen de twee gebouwen heeft gelegen. Op een portret van Christina Emerentiana van Bierum, de echtgenote van Evert Joost Lewe I, is een voorname behuizing getekend. Dit moet hetzelfde gebouw zijn, waarvan op de kaart van Beckering alleen de schoorstenen zichtbaar zijn. Dat het in elk geval geen gemiddelde dorpswoning was, blijkt uit de inventaris van 1792, die de volgende vertrekken vermeld: rode kamer, groene kamer, gang boven, klein bovenkamertje aan de straat, eetkamer, zaal, ’t gerigje, kabinet, slaapkamer, nieuwe kamer, gele kamer, meidenkamer, tweede bovenkamertje aan de plaats, gang voor de twee kleine slaapkamertjes, meidenkamertje achter de slaapkamer, voorkamer, keuken, hout- of spekzolder, zolder, kleerzolder, provisiekamer, en verder paardenstal, schuur, timmerschuur, houtschuur, beestenstal, karnkelder, brouwhuis, zomerhuis op de hoge berg, Turkse tent en druivenkas. (bron: Smits en Formsma, Gedenkboek 750 jarig bestaan van Aduard, 1954)

De borg aan de straatkant getekend op de kaart van Beckering.

De borg aan de voorkant op het portret van Christina Emerentiana van Bierum.